
Sinds enkele maanden werk ik op maandag middag in een filiaal. Anders dan op mijn vaste werkplek op de hoofdvestiging waarin ik mijn jas in een gesloten kastje opberg, hang ik in het filiaal mijn jas met mijn portemonnee en al op de kapstok in een voor het publiek afgesloten ruimte die alleen voor het personeel toegankelijk is.
Op maandag 5 oktober pakte ik na sluitingstijd om vijf uur de enige zwarte jas die aan de kapstonk hing en vertrok zoals gewoonlijk met de drie collega’s van de vaste ploeg op de maandag middag.
Toen ik thuis kwam en wilde ik mijn jas uitdoen, ontdekte ik dat de jas niet de mijne was. Er zat niets in, geen andere sporen van de eigenaar dan 30 eurocent en en een AH bon van 4 april 2009. Mijn vrouw lachte me uit, maar werd opeen boos toen ik haar vertelde dat mijn portemonnee in de jas zat.
Ik pakte de fiets en ging terug naar het filiaal. Maar daar wachtte er niemand op me om de jas terug te geven, zoals ik gehopt heb. Mijn jas hing ook niet op de kapstok. Ik hing de jas op de kapstok samen met een briefje met mijn telefoonnummer, zodat de collega die mijn jas nam mij kon bellen.
De volgende dag ging ik niet naar mijn vaste werkadres maar ging naar het filiaal en hield me daar de hele ochtend bezig met de opsporing van mijn verdwenen jas. Er waren maar twee collega’s aanwezig die de vorige dag vrije dag hadden. De collega’s met wie ik de vorige dag heb gewerkt hadden allemaal vrije ochtend en kon ik ze alleen telefonisch bereiken.
Ik begon eerst met het bellen van de drie collega’s met wie ik tot sluitingstijd gewerkt heb, omdat ik dacht dat één van hen zich heeft vergist en mijn jas heeft gedragen i.p.v. zijn jas. Ik heb twee van ze gebeld en die gaven me een duidelijke antwoord: nee. Collega C. verzekerde me dat ik J., de derde collega, mijn jas niet heeft gedragen omdat zij een rode aan had en geen zwarte. Ik hoef haar dus niet te bellen.
Verder heeft op deze maandagmiddag scholier M. geholpen met het opruimen van de boeken. Maar ja! hoe bereik ik haar? Ik zocht haar telefoonnummer op de telefoonlijst, maar tekens als ik belde kreeg ik geen gehoor. Later realiseerde ik dat het nummer niet klopte: het telefoonnummer telde geen 6 maar 5 cijfers. Via detelefoongids.nl zocht op haar achternaam de jong. Toen ik van de hoeveelheid schermen met de naam de jong schrok, riep een oplettende collega: nee geen jong maar jonge. Hoopvol en met de veronderstelling dat de weergegeven lijst korter zou zijn, zocht ik op jonge. Maar helaas maakte de site geen onderscheid tussen jong en jonge. De weergave was net zo omvangrijk als voorheen toen ik op jong gezocht heb.
Maar waarom zocht ik niet eerst in onze ledenadministratie, bedacht ik me later ? Die is de laatste jaren vollediger. Er worden mail adressen en vaste en mobiele telefoonnummers genoteerd. Ik zocht op jonge, maar ik vond geen lid die correspondeert met de voorletter en het adres van de gezochte scholier. Tweede alternatief is het zoeken op adres. Op het scherm verscheen een andere achternaam dan jonge. Ik ging er vanuit dat onze administratie klopt en dat de scholier op het adres woont, maar wel op een andere achternaam staat geregistreerd. Ik belde en kreeg de moeder aan de telefoon die me verzekerde dat haar dochter, die op school zat, geen zwarte jas heeft.
Van de collega’s die ik eerst belde kreeg ik de tip om A., een medewerkster van een instelling die ook op het filiaal is gevestigd te bellen. Hoe ik aan haar telefoonnummer ben gekomen wis ik niet omdat ik in een soort paniek raakte nadat ik bijna iedereen tevergeefs heb gebeld. Mijn laatste hoop dat A. mijn jas heeft is ook snel verdwijnen. A. wist van niets.
Nadat Ik iedereen heb gebeld die op deze maandagmiddag van 5 oktober op het filiaal heeft gewerkt, ging ik naar huis om mijn vrouw gerust te stellen. Zij heeft me zo vaak gebeld met de mededeling dat ik snel een aangifte moet doen en mijn bankpas moet laten blokkeren. Zij was furieus: ik wis het, de jas is gestolen, door wie dan ook, zei ze. Ik ben goed gelovig volgens haar. Een vrouw die de jas van een man aan doet, komt daar snel achter dat die jas van haar niet is. Vrouwen zijn anders dan mannen, hun reukzin is sterker ontwikkeld dan die van mannen.
Toen de commentaren van mijn vrouw niet meer kon verdragen, vertrok ik weer op mijn fiets naar het filiaal. Daar aangekomen, wis ik niet meer waarom ik daar ben teruggegaan. Ik vertrok daarom zo snel naar mijn werk in het centrum van de stad. Op de fiets bedacht ik een stappenplan: 1. bankpas blokkeren 2. naar het werk gaan 3. wachten met aangifte doen tot morgen omdat ik het nog niet wilde geloven dat de jas zo maar verdwenen is en omdat er een soortgelijke jas is achtergelaten. Maar ik vroeg me tegelijkertijd af waar blijft mijn jas dan. De collega die mijn jas heeft, moet toch na het verstreken van de ochtend wel achterkomen dat zij de jas van een ander draagt.
Ik begon serieus te denken aan diefstal, een
geraffineerde manier van stelen zoals ik er eerder mee gemaakt heb. Maar welk slim trucje heeft de dief deze keer toegepast?, vroeg ik me af.
Ik was nog op de fiets onderweg naar mijn werk en naar de bank toen ik besloot om toch nog de derde collega met de rode jas te bellen. Al zei iedereen dat zij die dag een rode jas had en geen zwarte en dat ik haar niet hoef te bellen. Fietsend pakte ik mijn gsm en belde haar. De hoop is snel verdwijnen toen ze nee zei, maar ze gaf snel de hoop terug toen ze een collega noemde die op die middag heel kort volgens haar op het filiaal was.
Aangekomen bij de bank besloot ik om te informeren of ik mijn bankpas kan blokkeren en wat daar de gevolgen van zijn. De bankmedewerker zei dat deze bank heel eenvoudig een vermiste pas blokkeert en deblokkeert door middel van een druk op de knop en daar zijn ook geen kosten aan verbonden. Deze klantvriendelijke bank is: De Bank. Ik liet mijn pas voor de zekerheid blokkeren omdat ik niet zoveel meer hoop heb dat de ene collega die ik nog niet gebeld heb mijn jas heeft.
Half uur later arriveerde ik op mijn werk en ging ik richting de kapstok in de hoop dat mijn collega T. mijn jas heeft voor de tweede dag gedragen en nog niet wist dat de jas van mij is. Of dat ze wel die ontdekt heeft maar het niet nodig vond om me daarover te bellen.
Toen ik de jas niet vond, pakte ik de telefoon en belde collega T. Ik vertelde haar over mijn jas. Zij luisterde aandachtig en zei dat zij gisteren een blauwe jas aan had die in een andere lokaal op de kapstok heeft gehangen. Maar T. was niet categorisch in haar ontkenning. Ik bespeur twijfel en vroeg haar of ze toch nog thuis wilde kijken. Toen ik haar vertelde dat mijn portemonnee in de jas zit, realiseerde ze de ernst van de zaak en ging ze naar huis. T. woont in de directe omgeving van het centrum, niet ver van mijn werk. Ongeveer half uur later verscheen ze met mijn jas in de hand. Zij had de jas keurig in de kast opgeborgen en de volgende dag een andere jas gedragen.